Thomas Van Woensel was ultralopen even beu. Daarom stak hij al roeiend de Oceaan over.
HEIST-OP-DEN-BERG – Vorige week vond in CC Zwaneberg in Heist-op-den-Berg de kampioenviering plaats van de plaatselijke atleten. In het totaal werden zestien individuele sporters gehuldigd en dertien ploegen, goed voor 124 Heistse kampioenen. Maar hoe mooi en ontroerend sommige prestaties van jeugd en masters ook zijn, ze verdwijnen in het niets met wat Thomas Van Woensel, een tandarts uit Itegem met een praktijk in zijn gemeente en in het Groen Kwartier van Berchem, presteerde.
Van Woensel eindigde op de tweede plaats in de World’s Toughest Row, de zwaarste roeiwedstrijd ter wereld. In 41 dagen tijd legde hij in zijn eentje een afstand van bijna 5 000 kilometer af over de Atlantische Oceaan.
Van Woensel: ‘We zijn met 43 boten gestart waarvan tien solo’s en van die tien ben ik als tweede gefinisht. In het algemeen klassement was ik zestiende. Dat betekent dat ik sneller was dan bepaalde boten met twee, drie of vier personen. Ik wou uiteraard zo snel mogelijk gaan maar dat ik in het algemeen klassement zo hoog zou eindigen had ik nooit gedacht.’
‘Van de 43 boten is er één niet aangekomen, toevallig de ene andere Belg – een Waal – die aan de wedstrijd deelnam. Hij heeft problemen gehad met zijn boot. De start was in La Gomera, het kleinste van de bewoonde Canarische eilanden, en de finish lag in Antigua, in het oostelijke deel van de Cariben, een kleine 5 000 kilometer later.’
‘Ik heb mij 2,5 jaar op deze wedstrijd voorbereid. Dat is een heel moeilijke taak. Je hebt vier luiken. Eerst moet je examens doen en indien die succesvol zijn krijg je een certificaat. Dan moet je trainen, zowel fysieke trainingen als trainingen op zee. Dat is heel belangrijk want je moet kunnen aantonen dat je voldoende trainingsuren achter de kiezen hebt. Een soloroeier, zoals ik, moest 240 uur doen.’
‘Vooral het aantal uren halen was heel moeilijk. De Noordzee is een redelijk gevaarlijke zee. Je kan niet zomaar beslissen dat je even gaat roeien. Je hebt heel weinig te zeggen als roeier. Je kan heel weinig snelheid maken. Vervolgens moet je heel wat materiaal aanslepen en tenslotte moet je de boot leren kennen. Je moet perfect weten hoe hij werkt en weten wat je moet doen als er iets stuk gaat.’
‘Dat gaat over elektriciteit in de boot, over een watermaker,… Het is echt verschrikkelijk veel werk. In het begin van de voorbereiding werd ik ’s nachts wel eens wakker en dacht ik ‘Ik moet stoppen, ik moet tegen de botenbouwer zeggen dat hij de boot niet hoeft te maken.’ Ik vroeg me echt af waar ik mee bezig was. Ik wist totaal niet of het wel mijn ding zou zijn. Je hebt geen garantie dat je de finish gaat halen.’
‘Uiteraard hing er ook een serieus prijskaartje aan vast. Ik dacht ‘wat ben ik op mijn leeftijd met mijn geld aan het doen?’. Het is echter normaal in zo’n proces dat je even twijfelt. Je moet blijven geloven en gaan. Beetje bij beetje en na de nodige tegenslagen ben op mijn niveau geraakt en uiteindelijk heb ik een fantastische overtocht gehad. Dat heb ik te danken aan het feit dat ik er mij 2,5 jaar tot en met heb op gestort.’
‘Heel wat vrienden hadden teksten in de boot geschreven. Die heb ik pas gelezen na mijn aankomst. Er waren aanmoedigingen bij maar best ook genante dingen.’
‘VAN 8.30 UUR TOT 19 UUR WERKEN EN VERVOLGENS VAN 22 TOT 2 UUR ROEIEN’
‘Zoals gezegd liep de voorbereiding niet op wieltjes. Eerst was het niet makkelijk om aan mijn trainingsuren te geraken maar ik had ook tegenslagen met bepaalde materialen van de boot. Ook met de certificaten waren er wat problemen. Die kwamen vrij laat aan terwijl er een deadline is om die dingen in te sturen. Ik heb een keertje meegemaakt dat een trailer te ver in het water stond en dat daardoor de elektriciteit wegviel. Dan sta je daar om middernacht, terwijl je weet dat je, met je boot achter de wagen, nog twee uur naar huis moet rijden.’
‘Het zijn misschien kleine dingen waar niemand bij stilstaat. Het project is zo groot dat er heel veel kan mis gaan. Maar des te groter het project, des te meer voldoening op het einde. Dat is het mooie ervan. ’s Nachts is er minder wind. Dat was dan ook het moment om te trainen. Soms werkte ik van 8.30 uur tot 19 uur en ging ik vervolgens om 22 uur op zee tot 2 uur.’
‘Vervolgens sliep ik wat om van 6 tot 20 uur opnieuw te roeien waarna ik de daaropvolgende dag gewoon ging werken. Ik heb heel veel nachten geroeid. Niemand kon zich inbeelden wat dit inhield. Men dacht dat het gewoon bootje varen was maar je hebt een boot die alles betekende voor mij. Als er iets met die boot gebeurt, dan stopt het verhaal. Je hebt stroming, je hebt wind, je hebt keiveel factoren die je niet in de hand hebt.’
‘Tijdens de race zelf heb ik de eerste week wat gehallucineerd. Ik sliep anderhalf tot drie uur per nacht. In het begin is het erg belangrijk dat je keihard doorroeit. Ik hoorde stemmen in de golven en toen wist ik hoe laat het was. Maar in vergelijking met de hallucinaties die ik heb meegemaakt tijdens mijn loopwedstrijden viel het goed mee. In het lopen ben ik al 10 000 fases verder gegaan qua hallucineren. Daar heb ik heel andere dingen gezien en gehoord.’
‘Hier had ik de kans om iets meer te slapen. Tijdens loopwedstrijden van 300 tot 400 kilometer moet je zo weinig mogelijk slapen. Dit gaat over zes weken. Het is onmogelijk om heel die tijd maar anderhalf uur per nacht te slapen. Ik heb een balans proberen te zoeken vanaf week twee. Gemiddeld sliep ik vijf uur per nacht, in fases van 90 minuten. Gelukkig ben ik een goede slaper. Leg mij ergens neer en ik ben vertrokken.’
‘Het ergste is het stuurapparaat. Dat ligt naast je hoofd en maakt een heel fel geluid. Veel deelnemers hadden daar last van maar blijkbaar zit er iets in mij dat dat lawaai kan uitzetten. Al bij al heb ik heel de tocht goed geslapen.’
‘Op de boot beweeg je nog vrij veel. Je moet heel veel roeien. Ik zette 25 stappen per dag. Op de duur merk je dat je lichaam zich daaraan begint aan te passen. Pas na twee weken was mijn lichaam ook aan het roeien gewend geraakt. Voor ik ging slapen bepaalde ik mijn positie. Om het anderhalf uur liep mijn wekker af en kon ik kijken of ik mijn koers nog goed aanhield. Dan waren er verschillende opties: ofwel terug gaan slapen – wat het beste is -, ofwel het roer een beetje aanpassen.’
‘IK LIEP DE TOUR DES GLACIERS: 450 KILOMETER EN 32 000 HOOGTEMETERS’
‘Maar vaak ging rond twee uur ’s nachts het alarm af omdat ik uit koers was geraakt omwille van de wind of de golven die veranderden. Ik heb niet meteen gevist om aan eten te geraken. Ik ben al geen visfanaat en bovendien was dat tijdverspilling. Ik at drie zakjes droge voeding per dag. Eigenlijk moet je daar warm water bij doen maar ook dan verlies je veel tijd dus ik heb gedurende die 41 dagen alles koud gegeten. Ik had ook snoep, chips, sportdrank en noten bij.’
‘In het lopen neem ik deel aan heel lange Alpinewedstrijden. Je hebt de Tour des Glaciers, goed voor 450 kilometer en 32 000 hoogtemeters. Er zijn de Barkley Marathons. Ik was de vierde Belg ooit die daaraan mocht deelnemen. Dat is een heel unieke wedstrijd, het mekka van het ultralopen. Daar geraken is al een prestatie. Je moet een hele cv hebben. Maar ik deed ook mee aan de Marathon de Sable en heel veel wedstrijden van 100 kilometer of 100 mijl.’
‘Ik ben begonnen met de Dodentocht en heb nadien zijprojecten gedaan zoals de Mont Blanc en de Matterhorn beklimmen, ik heb de Iron Man gelopen,… Ik vind altijd wel iets nieuw. Ik moet bezig zijn. Ik vind dat keileuk. Ik haal daar zoveel vreugde uit. Ik wil gewoon puur mijn grenzen verleggen en zien waar ik uitkom. Met zulke uitdagingen doe je niemand kwaad. Ik pest alleen mezelf.’
‘Het zijn allemaal avontuurlijke dingen waar je naar toewerkt. Het gevoel dat je hebt wanneer je finisht kan ik niet beschrijven. Je moet dat zelf meemaken om te beseffen hoe verslavend dat is. Het is gewoonweg fantastisch. Ik wil dit jaar heel veel sporten doen, een basis opbouwen zodat ik naar het ultralopen kan terugkeren. Daarin wil ik redelijk competitief gaan.’
‘In mijn wedstrijden – ook de roeitocht – overleef ik vooral dankzij mijn mentale weerstand. Je fysieke toestand speelt voor 30 procent een rol maar de rest is gewoon je mentaliteit. Je komt allerlei situaties tegen. Je bent 41 dagen alleen. Soms zijn de golven zo krachtig dat je moet overgeven. Alles wat je niet onder controle hebt laat je vallen en voor het overige zorg je dat je geen fouten maakt.’
‘Dat is niet altijd even eenvoudig. Het is ook vreemd om gedurende 41 dagen helemaal niemand te zien. Wanneer iemand tegen mij zegt dat ik morgen opnieuw kan starten met een gevulde boot zou ik het onmiddellijk opnieuw doen maar de voorbereiding is te groot. Het heeft me heel veel moeite gekost. Je leeft constant onder stress want ik heb alles alleen gedaan. Die 2,5 jaar hebben heel veel gevraagd.’
‘Op dit moment (het roeiavontuur eindigde op 24 januari, EM) zijn mijn botten nog te aangetast. Ik moet het nu even rustig aan doen. Je mag de inspanning niet onderschatten: 41 dagen op topniveau presteren, zestien uur per dag roeien, is niet niks. Maar ik kan je wel verklappen dat ik op dit moment al terug zeven dagen op zeven train maar nog niet mega-intensief. Mijn ouders zullen heel wat vaster slapen nu ze weten dat ik niet onmiddellijk iets nieuw gepland heb, al kan dat van de ene op de andere dag veranderen.’
Thomas Van Woensel geeft lezingen over zijn unieke verhaal. Wie hem wil boeken kan een mailtje sturen naar thomas.van.woensel@gmail.com
Edwin MARIËN
Foto’s Thomas VAN WOENSEL



