Adrie van der Poel reed 14 keer in Parijs-Roubaix maar won nooit. Hoe kijkt hij daar op terug?
KAPELLEN – Mathieu van der Poel reed tot nu toe vijf keer Parijs-Roubaix. Hij won driemaal, eindigde één keer derde en éénmaal negende. Vader Adrie startte veertien maal in de kasseiklassieker. Zijn beste resultaat: een derde plaats in 1986. Verder finishte hij nog een keer als zesde (in 1983) en als vijfde (in 1993), zijn enige top drie-plaatsen. Hoe kijkt hij terug op zijn deelnames aan Parijs-Roubaix?
Adrie van der Poel, de vader van de ‘Vliegende Nederlander’, was net als zijn zoon een groot specialist in het veldrijden en de klassiekers. In de cyclocross veroverde hij in 1996 de regenboogtrui. Eerder had hij twee Monumenten op de weg gewonnen (Ronde van Vlaanderen 1986 en Luik–Bastenaken–Luik 1988), maar de wedstrijd die hij het liefst reed – Parijs–Roubaix – won hij nooit.
Het lag niet aan een gebrek aan pogingen: veertien deelnames (evenveel als Boonen, De Vlaeminck en Poulidor). Vaak ging hij de wedstrijd in met het oog op de overwinning, met name in 1986, slechts een week nadat hij Sean Kelly had gedomineerd in de Ronde van Vlaanderen, die andere prestigieuze kasseienwedstrijd.
In de Hel van het Noorden keerde de hiërarchie zich om in de sprint van een kleine groep die de Ier en de Nederlander van elkaar scheidde, met ook Rudy Dhaenens mee voorin. Adrie van der Poel was pas 26. Er stonden hem nog vele overwinningen te wachten, maar Roubaix bleef buiten zijn bereik.
‘Dat jaar was ik echt in topvorm’, zegt Van der Poel. Toen hij in Compiègne aan de start verscheen op jacht naar glorie, zag Adrie er in alle opzichten uit als een kanshebber. Hij had net de Ronde van Vlaanderen gewonnen, waarbij hij blijk had gegeven van uitzonderlijke fysieke en tactische vaardigheden, na een bijzonder succesvolle start van het seizoen.
Op 26-jarige leeftijd had hij zich al bewezen in de Hel van het Noorden, met een zesde plaats in 1983, toen zijn ploeggenoot en landgenoot Hennie Kuiper de overwinning pakte, een jaar na het succes van een andere Nederlander, Jan Raas. Nu was het de beurt aan Van der Poel. Ja toch?
Het zelfvertrouwen was groot. Op zijn hoogtepunt. En zelfs het weer werkte in zijn voordeel. ‘Dat waren mijn favoriete omstandigheden: een droge zondag na een week regen. Ik vond het geweldig. Sommige renners houden van klimmen, ik rijd graag op natte kasseien.’
In het Kwantum-shirt ontweek Van der Poel alle valkuilen en reed hij vol zelfvertrouwen richting Roubaix, waar de finish uitzonderlijk in de stad plaatsvond. Vanaf 1989 zou de eindmeet opnieuw in de Vélodrome liggen. ‘Ik voelde me goed, ik had geen tegenslagen gehad in de race.’
Vier mannen streden om de zege. Van den Haute zette de aanval in op 300 meter van de finish, Van der Poel volgde en Kelly versloeg hen allemaal om zijn tweede overwinning op de kasseien van Roubaix te behalen, na zijn triomf in 1984. ‘Ik heb waarschijnlijk niet de slimste sprint uit mijn carrière gereden. ‘Ik was al heel blij dat ik vooraan reed, bijna zeker van een podiumplaats. Ik was dus niet 100 procent gefocust op het winnen van de wedstrijd.’
4 KEER STONDEN VAN DER POEL EN KELLY SAMEN OP HET PODIUM VAN EEN MONUMENT
Vier keer stonden Adrie van der Poel en Sean Kelly samen op het podium van een Monument. En elke keer stond één van de twee op de bovenste trede. In de Ronde van Vlaanderen van 1986 schitterde de Nederlander. De andere drie keer (Lombardije 1983 en 1985 en Roubaix 1986) ging de overwinning naar Kelly.
‘Kelly is misschien wel de beste renner van de jaren ‘80 en ’90. Ik heb enorm veel respect voor hem. Natuurlijk reed ik om te winnen. Maar als ik tweede of derde werd achter Kelly, was ik toch tevreden. Voor mij is hij echt één van de grootste renners uit de geschiedenis.’
Met meer dan 150 overwinningen op de weg (tegenover zo’n 50 voor Van der Poel) viel de Ier op door zowel de kwantiteit als de diversiteit van zijn successen. ‘Hij was er altijd bij, van de Ster van Bessèges tot Lombardije. Het mocht sneeuwen, het mocht warm zijn… hij klaagde nooit en hij reed altijd. Hij was echt buitengewoon. Na onze carrières hebben we veel gesprekken gevoerd en zijn we close geworden.’
‘Ik dacht echt dat ik deze wedstrijd ooit zou winnen. En toch is het één van de weinige klassiekers die ik nooit heb gewonnen. Als je Vlaanderen, de Amstel, San Sebastián, Luik wint, dan heb je een geweldig palmares. Maar voor mij was Roubaix het allerhoogste. Het was mijn favoriete wedstrijd. Aan de andere kant had ik nooit gedacht dat ik Luik zou winnen. Maar zo gaat dat, er valt niets meer te zeggen. Ik ga Roubaix nu niet meer winnen.’
‘Ik had de week ervoor de Ronde van Vlaanderen gewonnen en werd een week later tweede in Luik. Het was dus een heel goede start van het seizoen. Maar een paar jaar later, vooral aan het einde van je carrière, zeg je: ‘Verdorie, ik heb een kans gemist om een geweldige wedstrijd te winnen, mijn favoriet. Dat is echt jammer.’
In 1988 eindigde VDP sr. ver van het podium. Hij werd tiende. ‘Dat was één van de beste races die ik ooit in Roubaix heb gereden. Dirk De Mol (winnaar) en Thomas Wegmuller (tweede) waren uitzonderlijk en reden de hele dag aan kop. Achter hen waren er maar twee van ons die het tempo bepaalden, Sean Kelly en ik.’
‘We reden op volle kracht, voordat we het in de laatste tien kilometer niet meer volhielden. Ik was echt teleurgesteld dat ik met zulke benen geen beter resultaat behaalde. Maar ja, de race was erg open, we hadden te weinig ploeggenoten. Dat gebeurt.’
Adrie van der Poel reed in 1981 als kersverse prof voor het eerst over deze kasseien, ook al moest hij tot het jaar daarop wachten op zijn eerste officiële deelname. ‘Ik was zo teleurgesteld dat ik niet geselecteerd was, maar ik begrijp het wel, want in die tijd hadden we twee geweldige kopmannen, Hennie Kuiper en Roger De Vlaeminck.’
Op 22-jarige leeftijd maakte Van der Poel zijn debuut in de Hel van het Noorden. Hij eindigde als 32ste. Tot in 1996 (behalve in 1984) verscheen hij jaarlijks aan de start van Parijs-Roubaix. ‘Soms zijn er een paar kasseistroken in de Tour de France, maar verder is het een parcours dat je maar één keer per jaar rijdt. Terwijl je bij de Omloop, Kuurne, E3, Waregem… de meeste beklimmingen van de Ronde van Vlaanderen tegenkomt. Arenberg, daar kom je maar één keer per jaar langs. En dat was echt bijzonder voor mij.’
Nog een belangrijk verschil: “Rijden op vlakke kasseien of een berg beklimmen is totaal anders.’ Hij wist de beklimmingen van de Ronde met succes te bedwingen, zonder ooit de Hel van het Noorden te hebben overwonnen… Maar ‘voor mij was Parijs–Roubaix de allermooiste wedstrijd.’ (EM / Foto’s ASO & Presse Sports)







